Dictionary Online
-- Woorden vertalen
      Onregelmatige Werkwoorden - Nederlands
 
Engels - Nederlands
Engels - Duits
Engels - Frans
Engels - Spaans
Engels - Italiaans
Engels - Portugees
Engels - Hongaars
Engels - Zweeds
Engels - Noors
Engels - Latijn
Online Game -
Woorden Spellen
[English Version]
Onregelmatige Werkwoorden - Nederlands
(Dutch Irregular Verbs)

tegenwoordige tijd - verleden tijd - voltooide tijd
present tense - past tense - perfect tense

Aanbieden - bood aan - heeft aangeboden
Aandoen - deed aan - heeft aangedaan
Aandrijven - dreef aan - heeft aangedreven
Aangeven - gaf aan - heeft aangegeven
Aanhouden - hield aan - heeft aangehouden
Aankijken - keek aan - heeft aangekeken
Aankomen - kwam aan - is aangekomen
Aannemen - nam aan - heeft aangenomen
Aansluiten - sloot aan - heeft aangesloten
Aansnijden - sneed aan - heeft aangesneden
Aansteken - stak aan - heeft aangestoken -
Aantrekken - trok aan - heeft aangetrokken
Aanvallen - viel aan - heeft aangevallen
Aanvangen - ving aan - heeft/is aangevangen
Aanvragen - vroeg aan - heeft aangevraagd
Aanwijzen - wees aan - heeft aangewezen
Aanzien - zag aan - heeft aangezien
Achterblijven - bleef achter - is achtergebleven
Afdragen - droeg af - heeft afgedragen
Afgaan - ging af - is afgegaan
Afhangen - hing af - heeft afgehangen
Afkijken - keek af - heeft afgekeken
Afkomen - kwam af - is afgekomen
Aflopen - liep af - is/heeft afgelopen
Afnemen - nam af - heeft afgenomen
Afsluiten - sloot af - heeft afgesloten
Afvragen - vroeg af - heeft afgevraagd
Afwijken - week af - is afgeweken
Bedenken - bedacht - heeft bedacht
Bederven - bedierf - is bedorven
Bedragen - bedroeg - heeft bedragen
Bedriegen - bedroog - heeft bedrogen
Beginnen - begon - is begonnen
Begrijpen - begreep - heeft begrepen
Behouden - behield - heeft behouden
Bekijken - bekeek - heeft bekeken
Beschrijven - beschreef - heeft beschreven
Besluiten - besloot - heeft besloten
Bespreken - besprak - heeft besproken
Bestaan - bestond - heeft bestaan
Betreffen - betrof - heeft betroffen
Betrekken - betrok - heeft betrokken
Bevallen - beviel - is bevallen
Bevinden - bevond - heeft bevonden
Bewegen - bewoog - heeft bewogen
Bewijzen - bewees - heeft bewezen
Bezitten - bezat - heeft bezeten
Bezoeken - bezocht - heeft bezocht
Bezwijken - bezweek - is bezweken
Bidden - bad - heeft gebeden
Bieden - bood - heeft geboden
Bijhouden - hield bij - heeft bijgehouden
Bijten - beet - heeft gebeten
Binden - bond - heeft gebonden
Binnenkomen - kwam binnen - is binnengekomen
Blijken - bleek - is gebleken
Blijven - bleef - is gebleven
Breken - brak - heeft gebroken
Brengen - bracht - heeft gebracht
Buigen - boog - heeft gebogen
Deelnemen - nam deel - heeft deelgenomen
Delven - dolf/delfde - heeft gedolven
Denken - dacht - heeft gedacht
Doen - deed - heeft gedaan
Doordringen - doordrong - heeft doordrongen
Doordringen - drong door - is doorgedrongen
Doorgaan - ging door - is doorgegaan
Doorgeven - gaf door - heeft doorgegeven
Doorlopen - liep door - is doorgelopen
Doorlopen doorliep - heeft doorlopen
Doorslaan - sloeg door - is doorgeslagen
Doorstaan - doorstond - heeft doorstaan
Doortrekken - trok door - heeft doorgetrokken
Dragen - droeg - heeft gedragen
Drijven - dreef - heeft gedreven
Dringen - drong - heeft gedrongen
Drinken - dronk - heeft gedronken
Duiken - dook - heeft gedoken
Dwingen - dwong - heeft gedwongen
Erachterkomen - kwam erachter - is erachtergekomen
Eruitzien - zag eruit - heeft eruitgezien
Ervaren - ervoer - heeft ervaren
Eten - at - heeft gegeten
Fluiten - floot - heeft gefloten
Gaan - ging - is gegaan
Gedragen - gedroeg - heeft gedragen
Gelden - gold - heeft gegolden
Genezen - genas - heeft/is genezen
Genieten - genoot - heeft genoten
Geven - gaf - heeft gegeven
Gieten - goot - heeft gegoten
Glijden - gleed - is of heeft gegleden
Glimmen - glom - heeft geglommen
Goedvinden - vond goed - heeft goedgevonden
Grijpen - greep - heeft gegrepen
Hangen - hing - heeft gehangen
Hebben - had - heeft gehad
Helpen - hielp - heeft geholpen
Houden - hield - heeft gehouden
Inbreken - brak in - heeft ingebroken
Ingaan - ging in - is ingegaan
Inhouden - hield in - heeft ingehouden
Innemen - nam in - heeft ingenomen
Inschrijven - schreef in - heeft ingeschreven
Inzien - zag in - heeft ingezien
Jagen - joeg - heeft gejaagd
Kiezen - koos - heeft gekozen
Kijken - keek - heeft gekeken
Klimmen - klom - heeft/is geklommen
Klinken - klonk - heeft geklonken
Knijpen - kneep - heeft geknepen
Komen - kwam - is gekomen
Kopen - kocht - heeft gekocht
Krijgen - kreeg - heeft gekregen
Kruipen - kroop - heeft/is gekropen
Kunnen - kon - heeft gekund
Laten - liet - heeft gelaten
Lesgeven - gaf les - heeft lesgegeven
Lezen - las - heeft gelezen
Liegen - loog - heeft gelogen
Liggen - lag - heeft gelegen
Lijden - leed - heeft geleden
Lijken - leek - heeft geleken
Lopen - liep - heeft/is gelopen
Meebrengen - bracht mee - heeft meegebracht
Meedoen - deed mee - heeft meegedaan
Meegaan - ging mee - is meegegaan
(www.dictionaryonline.nl)
Meenemen - nam mee - heeft meegenomen
Meevallen - viel mee - is meegevallen
Meten - mat - heeft gemeten
Mislopen - liep mis- is misgelopen
Moeten - moest - heeft gemoeten
Mogen - mocht - heeft gemogen
Nadenken - dacht na - heeft nagedacht
Nakijken - keek na - heeft nagekeken
Nemen - nam - heeft genomen
Omgaan - ging om - is omgegaan
Omkopen - kocht om - heeft omgekocht
Onderduiken - dook onder - is ondergedoken
Onderhouden - onderhield - heeft onderhouden
Ondervragen - ondervroeg - heeft ondervraagd
Onderwerpen - onderwierp - heeft onderworpen
Onderzoeken - onderzocht - heeft onderzocht
Ontbreken - ontbrak - heeft ontbroken
Onthouden - onthield - heeft onthouden
Ontslaan - ontsloeg - heeft ontslagen
Ontstaan - ontstond - is ontstaan
Ontvangen - ontving - heeft ontvangen
Ontwerpen - ontwierp - heeft ontworpen
Opgaan - ging op - is opgegaan
Opgeven - gaf op - heeft opgegeven
Opheffen - hief op - heeft opgeheven
Ophouden - hield op - is/heeft opgehouden
Opkijken - keek op - heeft opgekeken
Opkomen - kwam op - is opgekomen
Oplopen - liep op - is opgelopen
Opnemen - nam op - heeft opgenomen
Oproepen - riep op - heeft opgeroepen
Opschieten - schoot op - is opgeschoten
Opsluiten - sloot op - heeft opgesloten
Opstaan - stond op - is opgestaan
Opstijgen - steeg op - is opgestegen
Optreden - trad op - heeft/is opgetreden
Optrekken - trok op - is/heeft opgetrokken
Opvallen - viel op - is opgevallen
Opvliegen - vloog op - is opgevlogen
Opwinden - wond op - heeft opgewonden
Opzoeken - zocht op - heeft opgezocht
Overblijven - bleef over - is overgebleven
Overdragen - droeg over - heeft overgedragen
Overdrijven overdreef - heeft overdreven
Overgaan - ging over - is overgegaan
Overgeven - gaf over - heeft overgegeven
Overlaten - liet over - heeft overgelaten
Overlijden - overleed - is overleden
Overschrijven - schreef over - heeft overgeschreven
Oversteken - stak over - is overgestoken
Overwegen - overwoog - heeft overwogen
Plaatsvinden - vond - plaats - heeft plaatsgevonden
Rijden - reed - heeft gereden
Roepen - riep - heeft geroepen
Ruiken - rook - heeft geroken
Schenken - schonk - heeft geschonken
Scheppen - schiep - heeft geschapen
Schieten - schoot - heeft geschoten
Schijnen - scheen - heeft geschenen
Schrijven - schreef - heeft geschreven
Schrikken - schrok - is geschrokken
Schuilen - school - heeft gescholen
Schuiven - schoof - heeft geschoven
Slaan - sloeg - heeft geslagen
Slapen - sliep - heeft geslapen
Sluiten - sloot - heeft gesloten
Snijden - sneed - heeft gesneden
Spijten - speet - heeft gespeten
Splijten - spleet - heeft gespleten
Spreken - sprak - heeft gesproken
Springen - sprong - heeft/is gesprongen
Staan - stond - heeft gestaan
Steken - stak - heeft gestoken
Stelen - stal - heeft gestolen
Sterven - stierf - is gestorven
Stijgen - steeg - is gestegen
Stinken - stonk - heeft gestonken
Strijden - streed - heeft gestreden
Strijken - streek - heeft gestreken
Tegenhouden - hield tegen - heeft tegengehouden
Tegenvallen - viel tegen - is tegengevallen
Terugkomen - kwam terug - is teruggekomen
Toegeven - gaf toe - heeft toegegeven
Toenemen - nam toe - is toegenomen
Toestaan - stond toe - heeft toegestaan
Toewijzen - wees toe - heeft toegewezen
Treden - trad - is getreden
Treffen - trof - heeft getroffen
Trekken - trok - heeft getrokken
Uitdoen - deed uit - heeft uitgedaan
Uitgaan - ging uit - is uitgegaan
Uitgeven - gaf uit - heeft uitgegeven
Uitkijken - keek uit - heeft uitgekeken
Uitkomen - kwam uit - is uitgekomen
Uitschelden - schold uit - heeft uitgescholden
Uitspreken - sprak uit - heeft uitgesproken
Uitstaan - stond uit - heeft uitgestaan
Uitsteken - stak uit - heeft uitgestoken
Uittrekken - trok uit - heeft uitgetrokken
Uitzenden - zond uit - heeft uitgezonden
Uitzien - zag uit - heeft uitgezien
Uitzoeken - zocht uit - heeft uitgezocht
Vallen - viel - is gevallen
Vangen - ving - heeft gevangen
Varen - voer - heeft/is gevaren
Vastbinden - bond vast - heeft vastgebonden
Vechten - vocht - heeft gevochten
Verbergen - verborg - heeft verborgen
Verbieden - verbood - heeft verboden
Verbinden - verbond - heeft verbonden
Verdwijnen - verdween - is verdwenen
Vergelijken - vergeleek - heeft vergeleken
Vergeten - vergat - heeft/is vergeten
Verkopen - verkocht - heeft verkocht
Verkrijgen - verkreeg - heeft verkregen
Verlaten - verliet - heeft verlaten
Verliezen - verloor - heeft verloren
Vernemen - vernam - heeft vernomen
Verschijnen - verscheen - is verschenen
Verslijten - versleet - heeft versleten
Verstaan - verstond - heeft verstaan
Vertrekken - vertrok - is vertrokken
Vervangen - verving - heeft vervangen
Verwijzen - verwees - heeft verwezen
Verzinnen - verzon - heeft verzonnen
Verzoeken - verzocht - heeft verzocht
Vinden - vond - heeft gevonden
Vliegen - vloog - heeft gevlogen
Voldoen - voldeed - heeft voldaan
Volhouden - hield vol - heeft volgehouden
Voorkomen - voorkwam - heeft voorkomen
Voorschrijven - schreef voor - heeft voorgeschreven
Voortkomen - kwam voort - is voortgekomen
Voortrekken - trok voor - heeft voorgetrokken
Voorzien - voorzag - heeft voorzien
Voorzitten - zat voor - heeft voorgezeten
Vragen - vroeg - heeft gevraagd
Vriezen - vroor - heeft gevroren
Wegen - woog - heeft gewogen
Weggaan - ging weg - is weggegaan
Weggeven - gaf weg - heeft weggegeven
Werpen - wierp - heeft geworpen
Weten - wist - heeft geweten
Wijzen - wees - heeft gewezen
Winnen - won - heeft gewonnen
Worden - werd - is geworden
Wrijven - wreef - heeft gewreven
Zeggen - zei - heeft gezegd
Zenden - zond - heeft gezonden
Zien - zag - heeft gezien
Zijn - was - is geweest
Zingen - zong - heeft gezongen
Zitten - zat - heeft gezeten
Zoeken - zocht - heeft gezocht
Zuigen - zoog - heeft gezogen
Zullen - zou -
Zwemmen - zwom - heeft gezwommen
Zwerven - zwierf - heeft gezworven
Zwijgen - zweeg - heeft gezwegen

  Vertaal woord                     Woordenboek

     

Nederlands-Engels Leren

Gezegden - Nederlands / Engels

Onregelmatige Werkwoorden - Nederlands

Zelf Introduceren - Nederlands / Engels

Kleur en Bloem - Nederlands
 / Engels


Verkeer Nederlands/Engels

Kleding Nederlands/Engels

Dier - Nederlands/Engels

Werk en Arbeid - Nederlands / Engels

Lichaam Nederlands/Engels

Voedsel en Restaurant - Nederlands/Engels

Tijd Dag Week en Maand - Nederlands/Engels

Weer - Nederlands/Engels

Over het Nederlands

Over het Engels
Copyright Dictionaryonline.nl